Hoe verdedig je een fort zoals Lillo?

Een versterking zoals Lillo bestaat uit een stervormig systeem van aarden wallen. Deze aarden wallen waren op ingenieuze manier aangelegd om de versterking maximaal te kunnen verdedigen. Laat ons eens kijken hoe een dergelijke versterking met aarden wallen in mekaar zit en hoe de verdediging werd georganiseerd, met de middelen van die tijd, namelijk musketten en kanonnen.

Buitenwal en binnenwal

Fort Lillo is opgebouwd volgens het Oud-Nederlandse vestingstelsel. Alle forten van de nieuwe Nederlandse Republiek, die werden gebouwd aan het eind van de 16de eeuw en een groot deel van de 17de eeuw, volgen dit systeem. In Lillo is er echter geen onderwal, omdat het omringd was door water en dus moeilijk bestormd kon worden. De vesting van Lillo heeft dus alleen een buitenwal (ook glacis genoemd) en een binnenwal (ook hoofdwal genoemd).

Achter de buitenste wal (glacis) kunnen de soldaten circuleren via de bedekte weg

De buitenste wal bestaat uit een zacht oplopende helling, die eindigt in een verhoogd houten gangpad. Achter deze buitenste wal ligt de bedekte weg. Dit is een zone waar in principe geen musket- of kanonskogels kunnen terechtkomen en die dus de soldaten toelaat om zonder problemen te kunnen circuleren om de volledige buitenwal te kunnen bemannen en verdedigen. Dit gebeurt uitsluitend met musketvuur.

Musketier rond 1600 (Rijksmuseum)

Om deze buitenwal te verdedigen, staan de musketiers (soldaten met een musket) op het verhoogde gangpad en kijken net boven de buitenwal uit. Normaal rust hun musket (9 tot 15 kg) op een gevorkte steun maar schietend vanachter de wal kunnen ze hun hand op de wal later rusten.

Zicht van een musketier op de buitenste wal: de aanvallende vijand is volledig zichtbaar en onbeschermd

Dit geeft de verdedigers een ideaal zicht op de vijand die aan de voet van de helling staat of de helling probeert op te lopen. Wanneer een musketier heeft geschoten, dan heeft hij ongeveer één minuut nodig om zijn musket te herladen. Dit doen ze door naar beneden te stappen en zo helemaal beschermd te zijn tegen inkomend musket- en kanonvuur. De andere soldaten kunnen ondertussen circuleren via de bedekte weg, bijv. om materiaal aan te voeren of nieuwe aanvallen op een andere plaats af te slaan.

Defensief schema van de buitenste wal: de bedekte weg beschermt tegen zowel musket- als kanonvuur

De binnenste wal (of hoofdwal) is veel hoger en steiler en ligt achter een natte gracht die niet doorwaadbaar is. Van op deze wal kan de aanvallende vijand zowel met musketvuur als met kanonvuur bestreden worden. De wal is zodanig gebouwd dat kanonnen net boven de wal uitsteken. Daarvoor staan de kanonnen op een houten platform dat lichtjes helt en aansluit bij de houten trede achter de wal. De helling van het platform stopt de terugslag van het kanon en laat het rustig teruglopen naar zijn beginpositie. Uit archiefonderzoek weten we dat Fort Lillo in de 17de eeuw in totaal 11 kanonnen had.

Op de hoofdwal staan kanonnen opgesteld, die net over de wal heen kunnen schieten

Een musketier, die op de houten trede staat, kijkt ook net over de wal en kan de vijand aan de andere kant van de gracht onder vuur nemen, grotendeels beschermd door de aarden wal, die inslaande musket- of kanonskogels tegenhoudt. Wanneer de musketier van de trede stapt, is hij ook hier volledig beschermd door de wal om de musket te herladen.

Zicht van een schutter vanop de houten trede van de hoofdwal
Defensief schema van de hoofdwal: soldaten op de hoofdwal zijn alleen beschermd tegen musketvuur
Nadat een schutter zijn musket heeft geladen, kan hij vanop de houten trede…
de vijand onder vuur nemen

Een schutter op het verhoogde gangpad is echter niet beschermd tegen inslaande kanonskogels. Om dit probleem op te lossen werden schanskorven gebruikt die snel met aarde werden gevuld en op de wallen werden geplaatst in geval van belegering. Aangezien Fort Lillo in zijn bestaan vrijwel niet belegerd werd, zijn er maar een paar vermeldingen van dergelijke schanskorven in de archiefteksten.

Gebruik van schanskorven bij de belegering van Aardenburg in 1672

De typische stervorm van een dergelijk fort komt voort uit de uitspringende bastions op de hoeken van de veelhoek (in dit geval vijfhoek). Vanuit deze bastions kan men aanvallen op de wallen tegengaan door de aanvallers zijdelings te beschieten. Het is dan ook logisch dat de lengte van de zijden van de veelhoek werden bepaald door de afstand waarover men voldoende nauwkeurig met een musket kon schieten. Afhankelijk van de kwaliteit van de kogel kon men vrij nauwkeurig een doel van 50 cm breed raken over een afstand van 60 tot 100 m. Musketkogels droegen meer dan 1000 m ver.

Wie de brug wil innemen, wordt vanuit de bastions zijdelings onder vuur genomen (afstand 30 m)

Het laden van een musket neemt in het midden van de 17de eeuw 30 seconden tot een minuut in beslag. Een musketier wordt dus het grootste deel van de tijd beschermd door piekeniers, gewapend met een lansvormige piek van ongeveer 2 m (dit worden halve pieken genoemd omdat de meeste pieken 4 m lang waren). De zeisen, waarmee het gras van de wallen werd gemaaid, waren echter voorzien van een mechanisme om het blad naar voor te draaien, zodat deze ook als een piek konden gebruikt worden in geval van nood (bijv. door de burgers van de vesting).

Plaats een reactie