Een fort heeft steeds een kruitmagazijn, een centrale opslagplaats voor buskruit. Men koos ervoor om alle buskruit in één afgelegen en goed ingericht gebouw te centraliseren, niet alleen om het gevaar van een totale explosie zo goed mogelijk te beheersen, maar ook om het buskruit in optimale omstandigheden te bewaren. De vaten buskruit moeten immers droog bewaard worden en regelmatig gedraaid worden om het aaneenkoeken van het buskruit (dat een fijnkorrelige substantie is) te verhinderen. Buskruit bevat immers salpeter dat vochtaantrekkend is.

Het kruitmagazijn was zo gemaakt dat bij een ontploffing het dak gemakkelijk loskwam, zodat de druk van de ontploffing naar boven werd gekanaliseerd en de sterke muren intact zouden blijven.

Het was waarschijnlijk ook omgeven door zware houten palen, die vermoedelijk een extra bescherming vormden voor de omgeving mochten de muren het bij een ontploffing toch begeven. Deze palen worden op de plannen van veel vestigingen in de 17de en 18de eeuw weergegeven, zo ook op het plan van Hattinga uit 1748. Een gracht met water gaf extra bescherming tegen brand.


Plaats een reactie